het unabomber manifest 
 
De Industriële Samenleving en Haar Toekomst
(deel 1/3)
Inleiding 

1. De Industriële Revolutie en de gevolgen ervan zijn rampzalig geweest voor de mensheid. Ze hebben in ruime mate de levensverwachting verhoogd van degenen onder ons die in de 'ontwikkelde' landen leven, maar ze hebben de samenleving ontwricht, het leven zijn voldoening ontnomen, de mensen onderworpen aan vernederingen, alom tot geestelijk lijden geleid (in de Derde Wereld ook tot lichamelijk lijden) en grote schade aangericht aan de natuur. De voortschrijdende ontwikkeling van de technologie zal de toestand alleen maar erger maken: het is wel zeker dat de mensen onderworpen zullen worden aan nog grotere vernederingen en dat de natuur nog meer schade zal ondervinden; daarnaast is het waarschijnlijk dat maatschappelijke ontwrichting en geestelijk lijden verder zullen toenemen; bovendien zal wellicht ook het lichamelijk lijden verergeren, zelfs in de 'ontwikkelde' landen. 

2. Het industrieel-technologisch systeem kan overleven of ten onder gaan. Als het overleeft, KAN het op den duur het fysiek en psychisch lijden verminderen, maar dan alleen na een pijnlijke periode van aanpassing, en alleen als mensen en vele andere levende organismen voorgoed worden gereduceerd tot stukjes techniek, tot niet meer dan radertjes in de sociale machine. Bovendien, als het systeem overleeft, zijn de gevolgen onvermijdelijk: het systeem kan niet worden verbeterd of aangepast om te voorkomen dat het mensen van hun waardigheid en autonomie berooft. 

3. Ook als het systeem instort, zal dat bijzonder pijnlijke consequenties hebben. Maar naarmate het systeem groter wordt, zullen de gevolgen van een ineenstorting rampzaliger zijn. Als het instort, kan dat dus maar beter zo snel mogelijk gebeuren. 

4. We pleiten dan ook voor een revolutie tegen het industriële systeem. Deze revolutie kan gewelddadig of geweldloos zijn, een uitbarsting of een geleidelijk proces van enkele decennia. Dat kunnen we niet voorspellen. Maar we geven wel in grote lijnen aan wat voor maatregelen degenen die walgen van het industriële systeem moeten treffen om de weg te bereiden voor een revolutie tegen dit type samenleving. Dit moet geen POLITIEKE revolutie worden. Het doel is niet om regeringen omver te werpen, maar om de economische en technologische basis van de huidige maatschappij te gronde te richten. 

5. In dit artikel besteden we aandacht aan slechts enkele negatieve ontwikkelingen die voortkomen uit het industrieel-technologisch systeem. Andere ontwikkelingen stippen we alleen aan, of laten we geheel buiten beschouwing. Dat betekent niet dat we die ontwikkelingen onbelangrijk vinden. Om praktische redenen moeten we ons hier beperken tot gebieden die onvoldoende aandacht hebben gekregen, of waarover wij iets nieuws te melden hebben. Er zijn bijvoorbeeld goed georganiseerde bewegingen op het gebied van natuur en milieu. Daarom hebben we weinig geschreven over de afbraak van het milieu of de vernietiging van de ongerepte natuur, ook al vinden we dit zeer belangrijke onderwerpen. 

de psychologie van het moderne linksisme 

6. Vrijwel iedereen zal het ermee eens zijn dat we leven in een ernstig gestoorde samenleving. Een van de meest verbreide uitingen van de gekte in onze wereld is het linksisme. Een discussie over de psychologie van het linksisme kan daarom dienen als inleiding tot een discussie over de problemen van de moderne samenleving in het algemeen. 

7. Maar wat is linksisme? In de eerste helft van de twintigste eeuw kon het linksisme vrijwel gelijk worden gesteld aan het socialisme. Vandaag de dag is er sprake van een versplinterde beweging en is het vaag wie met recht een linksist kan worden genoemd. Als we het in dit stuk hebben over linksisten bedoelen we vooral socialisten, collectivisten, 'politiek correcte' types, feministen, homo- en gehandicaptenactivisten, dierenbeschermingsactivisten en wat dies meer zij. Maar niet iedereen die zich met deze bewegingen inlaat is een linksist. Wat we in ons betoog over het linksisme duidelijk willen maken is dat het hier niet zozeer gaat om een beweging of ideologie als wel om een psychologisch type, of, beter gezegd, een verzameling van aan elkaar verwante typen. Wat we bedoelen met 'linksisme' zal dan ook duidelijker naar voren komen als we het gaan hebben over de linksistische psychologie (zie ook paragraaf 227-230). 

8. Wat we precies onder linksisme verstaan zal desondanks lang niet zo duidelijk worden als we zouden willen, maar daar lijkt niets aan te doen. We proberen alleen maar ruwweg aan te geven welke twee psychologische neigingen in onze ogen de belangrijkste drijfveren zijn van het moderne linksisme. In geen geval pretenderen we de VOLLEDIGE waarheid te vertellen over de linksistische psychologie. Bovendien betreft ons betoog alleen het moderne linksisme. We gaan niet in op de vraag in hoeverre onze uiteenzetting van toepassing is op linksisten uit de negentiende en het begin van de twintigste eeuw. 

9. De twee psychologische neigingen die aan het moderne linksisme ten grondslag liggen, noemen we 'minderwaardigheidsgevoelens' en 'oversocialisering'. Minderwaardigheidsgevoelens zijn typerend voor het moderne linksisme als geheel, terwijl oversocialisering alleen kenmerkend is voor een bepaald deel van het moderne linksisme; maar wel voor een zeer invloedrijk deel. [ Noot van de vertaler: leftism is in de gehele tekst vertaald met 'linksisme', en leftist met 'linksist'. Dit om te benadrukken dat de Freedom Club kritiek levert op linkszijn als '-isme', als dogma; niet op linkszijn als zodanig. De begrippen 'linksigheid' en 'linksige' zijn daarom tweede keus. mh] 

minderwaardigheidsgevoelens 

10. Met 'minderwaardigheidsgevoelens' bedoelen we niet alleen gevoelens van minderwaardigheid in de strikte zin van het woord, maar ook een heel spectrum van aanverwante eigenschappen: gebrek aan zelfrespect, gevoelens van machteloosheid, depressieve neigingen, defaitisme, schuldbesef, zelfhaat, enzovoorts. We stellen dat moderne linksisten neigen tot deze gevoelens (mogelijk in meer of mindere mate onderdrukt), en dat die gevoelens bepalend zijn voor de richting waarin het moderne linksisme zich ontwikkelt. 

11. Wanneer iemand bijna alles als denigrerend beschouwt wat over hem wordt gezegd (of over groeperingen waarmee hij zich identificeert), concluderen we dat hij minderwaardigheidsgevoelens heeft, of een gebrek aan zelfrespect. Deze neiging is duidelijk aanwezig bij pleitbezorgers voor de rechten van minderheidsgroepen, ook als ze zelf geen deel uitmaken van de groepen waarvoor ze opkomen. Ze zijn overgevoelig voor de termen waarmee minderheden worden aangeduid. De termen 'neger', 'oosterling', 'invalide' of 'griet' voor een Afrikaan, een Aziaat, een gehandicapte of een vrouw, hadden oorspronkelijk helemaal geen negatieve bijbetekenis. 'Wijf' en 'griet' waren gewoon de vrouwelijke equivalenten van 'vent', 'gozer' of 'kerel'. De negatieve connotaties zijn aan deze termen verbonden door de activisten zelf. Sommige pleitbezorgers van dierenrechten gaan zelfs zo ver dat ze het woord 'huisdier' afwijzen en eisen dat je 'dierlijke medebewoner' zegt. Linksistische antropologen wringen zich in allerlei bochten om toch vooral niets over primitieve volkeren te zeggen dat misschien wel als negatief zou kunnen worden opgevat. Ze willen 'primitief' vervangen door 'zonder schrift'. Ze lijken wel paranoïde over alles wat de indruk zou kunnen wekken dat er primitieve culturen bestaan die minderwaardig zijn aan de onze. (We willen niet beweren dat primitieve culturen minderwaardig ZIJN aan de onze. We geven alleen maar aan hoe overgevoelig linksistische antropologen zijn.) 

12. De hoogste mate van gevoeligheid voor 'politiek incorrect' taalgebruik vind je niet bij de doorsnee zwarte gettobewoner, Aziatische immigrant, mishandelde vrouw of gehandicapte, maar bij een minderheidsgroep van activisten, van wie velen niet eens behoren tot een 'onderdrukte' groep, maar juist tot de bevoorrechte lagen van de samenleving. Echte bolwerken van politieke correctheid vind je onder hoogleraren met een vaste baan en een riant salaris, merendeels heteroseksuele, blanke mannen uit de middenklasse. 

13. Veel linksisten identificeren zich verregaand met de problemen van groepen die de naam hebben zwak te zijn (vrouwen), overwonnen (Amerikaanse Indianen), afstotelijk (homoseksuelen), of anderszins minderwaardig. De linksisten vinden deze groepen zélf minderwaardig. Ze zullen zichzelf nooit bekennen dat ze dergelijke gevoelens hebben, maar juist omdat ze deze groepen als minderwaardig beschouwen, identificeren ze zich met hun problemen. (We willen niet beweren dat vrouwen, indianen en anderen minderwaardig ZIJN; we maken alleen iets duidelijk over de linksistische psychologie.) 

14. Feministen zijn er enorm op gebrand om te bewijzen dat vrouwen net zo sterk en capabel zijn als mannen. Ze zijn kennelijk doodsbenauwd dat vrouwen misschien wel NIET zo sterk en capabel zijn als mannen. 

15. Linksisten hebben vaak een afkeer van alles waar kracht, goedheid of succes van afstraalt. Ze hebben een hekel aan Amerika, aan de Westerse beschaving, aan blanke mannen, aan rationaliteit. De redenen die linksisten noemen voor hun haat tegen het Westen, etc., komen duidelijk niet overeen met hun ware motieven. Ze ZEGGEN dat ze de pest hebben aan het Westen omdat het oorlogszuchtig is, imperialistisch, seksistisch, etnocentrisch enzovoorts, maar als dezelfde tekortkomingen voorkomen in socialistische landen of in primitieve culturen, praat de linksist deze goed. Hooguit geeft hij KNARSETANDEND toe dat dat ze bestaan; terwijl hij deze misstanden ENTHOUSIAST aan de kaak stelt (en ze daarbij meestal zwaar overdrijft) als ze voorkomen in de Westerse beschaving. Het is dus duidelijk dat deze gebreken voor de linksist niet de werkelijke reden vormen voor zijn afkeer van Amerika en het Westen. Die afkeer wordt veroorzaakt door de kracht en het succes van Amerika en het Westen. 

16. Termen als 'zelfvertrouwen', 'onafhankelijkheid', 'initiatief', 'ondernemingszin', 'optimisme' spelen nauwelijks een rol in het progressieve en linksistische vocabulair. De linksist is anti-individualistisch, pro-collectivistisch. Hij wil dat de samenleving alle problemen voor iedereen oplost, voor iedereen zorgt. Hij is niet iemand die vertrouwt op zijn eigen kunnen om zijn eigen boontjes te doppen en zijn eigen behoeften te bevredigen. De linksist moet niets hebben van wedijver, omdat hij zich diep in zijn hart een mislukkeling voelt. 

17. Uit de kunst waartoe moderne linksistische intellectuelen zich aangetrokken voelen, spreekt meestal iets van smerigheid, verslagenheid of wanhoop; de toon kan ook orgiastisch zijn: met het afwerpen van de rationele beheersing wordt de hoop opgegeven om via rationele afweging iets tot stand te kunnen brengen. Het enige wat rest, is je overgeven aan de sensaties van het moment. 

18. Hedendaagse linksistische filosofen hebben de neiging om rede, wetenschap en objectieve werkelijkheid te verwerpen. Ze houden vol dat alles cultureel bepaald is. Natuurlijk kun je grote vraagtekens zetten bij de grondslagen van wetenschappelijke kennis en bij de wijze waarop het begrip 'objectieve werkelijkheid' wordt gedefinieerd, als dat al mogelijk is. Maar het is duidelijk dat moderne linksistische filosofen zich niet beperken tot koel logisch denken en een systematische analyse van de grondslagen van kennis. Ze zijn emotioneel sterk betrokken bij hun aanval op waarheid en werkelijkheid. Zij vallen deze begrippen aan vanwege hun eigen psychologische behoeften. Om te beginnen dient hun aanval als uitlaatklep voor hun agressie en wordt, voorzover hun opzet slaagt, hun machtshonger erdoor bevredigd. Nog belangrijker is dat linksisten een afkeer hebben van wetenschap en rationaliteit omdat daarin bepaalde opvattingen als waar worden beschouwd (d.w.z. geslaagd, superieur) en andere als onwaar (mislukt, inferieur). De minderwaardigheidsgevoelens van de linksist zitten zo diep dat hij het niet kan verdragen als sommige zaken worden beoordeeld als geslaagd en superieur en andere als mislukt of inferieur. Dat is ook de uiteindelijke reden waarom veel linksisten het begrip geestesziekte van de hand wijzen en IQ-tests zinloos vinden. Linksisten moeten niets hebben van genetische verklaringen voor menselijke vermogens of gedragingen, omdat dergelijke verklaringen de schijn wekken dat sommige personen beter of minder zijn dan anderen. Linksisten stellen liever dat het aan de samenleving te danken of te wijten is wat iemand voor vermogens of gebreken heeft. In die opvatting is iemands 'inferioriteit' niet zijn eigen schuld, maar de schuld van de samenleving, omdat hij niet goed is opgevoed. 

19. De typische linksist uit zijn gevoelens van minderwaardigheid niet door op te scheppen, alleen aan zichzelf te denken,anderen te koeioneren, zichzelf aan te prijzen of over lijken te gaan. Zo iemand gelooft nog een beetje in zichzelf. Hij schiet tekort in het besef van zijn eigen macht en in zijn gevoel van eigenwaarde, maar hij weet nog wel dat hij sterk over kan komen, en zijn pogingen om sterk over te komen, leiden tot zijn onaangename gedrag (1). Maar de linksist is daarvoor al te ver heen. Zijn gevoelens van minderwaardigheid zitten er zo diep ingebakken dat hij zichzelf niet kan zien als een sterk en waardevol individu. Vandaar het collectivisme van de linksist. Hij kan zich alleen sterk voelen als lid van een grote organisatie of een massabeweging waarmee hij zich identificeert. 

20. Let op de masochistische trekjes van linksistische actievormen. Linksisten protesteren door voor voertuigen te gaan liggen, ze dagen politie en racisten doelbewust uit om hen te mishandelen, etcetera. Deze actievormen zijn misschien wel vaak effectief, maar veel linksisten gebruiken ze niet als middel om een doel te bereiken maar omdat ze DE VOORKEUR GEVEN aan masochistische actievormen. Zelfhaat is een linksistische eigenschap. 

21. Linksisten mogen dan wel beweren dat hun activisme is ingegeven door mededogen of morele principes, en inderdaad spelen morele principes een rol bij de linksist van het overgesocialiseerde type, maar mededogen en morele principes kunnen nooit de belangrijkste drijfveren zijn voor linksistisch activisme. Daarvoor is linksistisch gedrag te agressief en te zeer gericht op het verwerven van macht. Bovendien is bij het meeste linksistische gedrag niet rationeel afgewogen of het wel ten goede komt aan de mensen die de linksisten zeggen te willen helpen. Als iemand bijvoorbeeld vindt dat positieve actie goed is voor zwarten, heeft het dan zin om in agressieve en dogmatische bewoordingen positieve actie te eisen? Het is natuurlijk produktiever om een diplomatieke en verzoenende toon aan te slaan en op zijn minst verbaal en symbolisch concessies te doen aan blanken die menen dat deze programma's discriminerend voor hen zijn. Maar linksistische activisten kiezen niet voor een dergelijke benadering, omdat die hun emotionele behoeften niet zou bevredigen. Zwarten helpen is niet hun werkelijke doel. Integendeel, rassenproblemen dienen voor hen als excuus om hun eigen agressie en gefrustreerde hang naar macht te uiten. Door zo te handelen schaden ze in feite de zwarten, omdat de agressieve houding van de activisten jegens de blanke meerderheid de rassenhaat versterkt. 

22. Als onze samenleving helemaal geen maatschappelijke problemen kende, zouden de linksisten problemen moeten UITVINDEN om zich ergens druk over te kunnen maken. 

23. We benadrukken nog eens dat het voorafgaande niet bedoeld is als een nauwgezette beschrijving van iedereen die kan worden beschouwd als een linksist. Het is slechts een ruwe schets van een algemene tendens in het linksisme. 

oversocialisering 

24. Psychologen gebruiken de term 'socialisering' voor het proces waarin kinderen wordt geleerd om te denken en te handelen zoals de maatschappij dat wil. Iemand wordt goed gesocialiseerd genoemd als hij gelooft in en zich houdt aan de normen en waarden van die maatschappij, en goed functioneert binnen die maatschappij. Het lijkt onzinnig om te beweren dat veel linksisten overgesocialiseerd zijn. De linksist wordt immers beschouwd als een rebel. Toch is deze opvatting wel te verdedigen. Veel linksisten zijn niet zo rebels als ze lijken. 

25. De normen en waarden van onze samenleving eisen zo veel van ons, dat niemand volledig volgens de heersende moraal kan denken, voelen en handelen. We worden bijvoorbeeld geacht niemand te haten, maar vrijwel iedereen haat ooit wel eens iemand, of hij het zichzelf nu wil bekennen of niet. Sommige mensen zijn zozeer gesocialiseerd dat hun streven om moreel te denken, voelen en handelen als een zware last op hun schouders drukt. Om zich niet schuldig te voelen moeten ze voor zichzelf voortdurend de schijn ophouden, en morele verklaringen zien te vinden voor gevoelens en handelingen die in werkelijkheid een niet-morele oorsprong hebben. We noemen zulke mensen 'overgesocialiseerd' (2). 

26. Oversocialisering kan leiden tot een gebrek aan zelfrespect, een gevoel van machteloosheid, defaitisme, schuldgevoel, etcetera. Een heel belangrijke vorm van socialisering in onze maatschappij is kinderen te leren dat ze zich moeten schamen over gedrag of taalgebruik dat ingaat tegen de verwachtingen van de samenleving. Als dit te ver wordt doorgedreven, of als een bepaald kind erg vatbaar is voor zulke gevoelens, gaat hij zich uiteindelijk schamen voor ZICHZELF. Bij een overgesocialiseerd persoon worden denken en handelen bovendien meer beperkt door de maatschappelijke verwachtingen dan bij een minder gesocialiseerd persoon. De meeste mensen vertonen behoorlijk wat 'ondeugend' gedrag. Ze liegen, plegen kleine diefstallen, overtreden verkeersregels, lopen er op het werk de kantjes van af, ze haten iemand, ze zeggen gemene dingen, of ze gebruiken een of ander achterbaks truukje om een ander voor te zijn. De overgesocialiseerde mens doet dat soort dingen niet, en als hij ze wel doet, levert dat gevoelens van schaamte en zelfhaat op. De overgesocialiseerde mens kán niet eens zonder schuldbesef iets denken of voelen wat in strijd is met de heersende moraal; hij laat geen 'onzuivere' gedachten toe. En bij socialisering gaat het niet alleen om morele zaken; we worden ook gesocialiseerd om ons aan gedragsnormen te houden die niet onder het kopje 'moraal' thuishoren. Zo wordt de overgesocialiseerde persoon psychologisch geknecht en snelt hij zijn leven lang voort over rails die de samenleving voor hem heeft aangelegd. Veel overgesocialiseerde mensen voelen zich hierdoor geremd en machteloos, en kunnen daar ten zeerste onder gebukt gaan. Oversocialisering lijkt ons een van de ergste wreedheden die mensen elkaar kunnen aandoen. 

27. Wij stellen dat een groot en invloedrijk deel van modern links overgesocialiseerd is, en dat die oversocialisering in hoge mate de koers van het moderne linksisme bepaalt. Linksisten van het overgesocialiseerde type zijn meestal intellectuelen, of behoren tot de hogere middenklasse. Merk op dat intellectuelen op universiteiten (3) het meest gesocialiseerde segment van de samenleving vormen, en ook het meest linkse segment. 

28. De linksist van het overgesocialiseerde type probeert zich van zijn psychologische leiband te ontdoen en zijn autonomie te bekrachtigen door te rebelleren. Maar meestal is hij niet sterk genoeg om tegen de meest fundamentele waarden van de maatschappij in opstand te komen. Over het algemeen zijn de doeleinden van hedendaagse linksisten NIET in strijd met de gangbare moraal. Integendeel, links neemt een algemeen aanvaard moreel principe over, maakt het zich eigen, en beschuldigt vervolgens de samenleving van schending van dat principe. Voorbeelden: rassengelijkheid, gelijkheid der seksen, hulp aan de armen, vrede als tegengesteld aan oorlog, geweldloosheid in het algemeen, vrijheid van meningsuiting, diervriendelijkheid. Op fundamenteler niveau gaat het dan om de plicht van het individu om de samenleving ten dienste te zijn en de plicht van de samenleving om voor het individu te zorgen. Al deze waarden zijn al lange tijd diep geworteld in onze samenleving (of op zijn minst in de middelste en hogere lagen van de bevolking (4). Deze waarden worden expliciet of impliciet uitgedragen of als aanvaard verondersteld in het materiaal dat ons wordt aangereikt door de gevestigde communicatie-media en het onderwijs. Linksisten, met name die van het overgesocialiseerde type, komen meestal niet tegen deze principes in opstand maar rechtvaardigen hun vijandigheid jegens de samenleving door te stellen (niet geheel ten onrechte) dat de samenleving zich niet aan deze principes houdt. 

29. Hier volgt een voorbeeld van de wijze waarop de overgesocialiseerde linksist duidelijk blijk geeft van zijn verbondenheid met de geldende normen in onze samenleving, terwijl hij juist pretendeert ertegen in opstand te komen. Veel linksisten staan achter positieve actie: zwarten aan goede banen helpen, het onderwijs op zwarte scholen verbeteren en meer subsidie geven aan zulke scholen. De manier waarop de zwarte 'onderklasse' leeft, beschouwen ze als een schande voor de maatschappij. Ze willen de zwarte mens integreren in het systeem, zorgen dat hij directeur wordt, of advocaat, of wetenschapper, net als de blanken uit de hogere middenklasse. De linksisten zullen hier tegenin brengen dat dat wel het laatste is wat ze willen, van de zwarte mens een kopie van de blanke maken; integendeel, ze willen juist de Afro-Amerikaanse cultuur behouden. Maar waaruit bestaat dit streven naar behoud van de Afro-Amerikaanse cultuur? Uit nauwelijks meer dan het eten van gerechten uit de zwarte keuken, het luisteren naar zwarte muziekstijlen, het dragen van zwarte kledingstijlen en het bezoeken van zwarte kerken of moskeeën. Met andere woorden, het mag zich slechts uiten in bijkomstigheden. Gaat het echter om ESSENTIELE kwesties, dan willen de linksisten van het overgesocialiseerde type dat de zwarte mens zich aanpast aan de idealen van de blanke middenklasse. Ze willen dat hij technische vakken studeert, leidinggevende wordt of wetenschapper, dat hij zijn leven wijdt aan het beklimmen van de status-ladder, om te bewijzen dat zwarten net zo goed zijn als blanken. Ze willen dat zwarte vaders 'verantwoordelijkheid' dragen; ze willen dat zwarte straatbendes geweldloos worden, enzovoorts. En dat zijn precies de waarden van het industrieel-technologisch systeem. Het laat het systeem volkomen koud naar wat voor muziek iemand luistert, wat voor kleren iemand draagt of wat voor geloof iemand aanhangt, zolang hij maar naar school gaat, een goede baan heeft, carrière maakt, een 'verantwoordelijke' ouder is, geweldloos is en ga zo maar door. Hoezeer hij het ook zal ontkennen, in feite wil de overgesocialiseerde linksist de zwarte mens integreren in het systeem en hem de waarden van dat systeem opleggen. 

30. We willen zeker niet beweren dat linksisten, zelfs die van het overgesocialiseerde type, NOOIT in opstand komen tegen de fundamentele waarden van de samenleving. Dat doen ze soms duidelijk wel. Sommige overgesocialiseerde linksisten zijn zelfs in opstand gekomen tegen een van de voornaamste principes van de huidige samenleving, door lichamelijk geweld te gebruiken. Naar eigen zeggen is geweld voor hen een vorm van 'bevrijding'. Met andere woorden, door geweld te gebruiken ontdoen ze zich van het psychologisch keurslijf dat hen is aangemeten. Omdat ze overgesocialiseerd zijn, is dit keurslijf voor hen knellender dan voor anderen; vandaar hun behoefte zich eruit te bevrijden. Maar gewoonlijk rechtvaardigen ze hun rebellie met een beroep op algemeen gangbare waarden. Als ze geweld gebruiken, doen ze dat onder het mom van het bestrijden van racisme of iets dergelijks. 

31. We realiseren ons dat er vele bezwaren zijn aan te voeren tegen bovenstaande ruwe schets van de linksistische psychologie. De werkelijke situatie is complex, en een enigermate volledige beschrijving zou ettelijke boekdelen vergen, als de daartoe benodigde gegevens al beschikbaar zouden zijn. We hebben slechts ruwweg aangegeven wat de twee belangrijkste tendensen zijn binnen de psychologie van het moderne linksisme. 

32. De problemen van de linksist weerspiegelen de problemen van onze samenleving als geheel. Gebrek aan zelfrespect, depressieve neigingen en defaitisme beperken zich niet tot links. Hoewel deze problemen vooral opvallen bij links, zijn ze wijdverbreid in de gehele maatschappij. Nog nooit was de socialisering zo ver doorgevoerd als in de huidige samenleving. We krijgen zelfs van deskundigen te horen hoe we moeten eten, hoe we moeten sporten, hoe we de liefde moeten bedrijven, hoe we onze kinderen moeten grootbrengen, en ga zo maar door. 

het machtsproces 

33. Mensen hebben behoefte (waarschijnlijk biologisch bepaald) aan iets wat we 'het machtsproces' zullen noemen. Die behoefte aan het machtsproces hangt nauw samen met de behoefte aan macht (die algemeen erkend wordt), maar is niet helemaal hetzelfde. Het machtsproces bestaat uit vier elementen. De drie meest duidelijk te onderscheiden elementen noemen we: doel, inspanning en bereiken van het doel. (Iedereen heeft doelen nodig die alleen door inspanning te bereiken zijn, en iedereen heeft de behoefte om in ieder geval enkele van deze doelen te bereiken). Het vierde element is moeilijker te omschrijven en is misschien niet voor iedereen noodzakelijk. We noemen het autonomie en komen erop terug in de paragrafen 42-44. 

34. Neem het hypothetische geval van een man die alles kan krijgen wat hij maar wenst. Zo'n man heeft macht, maar hij zal in ernstige psychologische problemen komen. In het begin zal hij het goed naar zijn zin hebben, maar gaandeweg zal hij zich vreselijk gaan vervelen en afgestompt raken. En uiteindelijk wordt hij misschien chronisch depressief. Uit de geschiedenis blijkt dat aristocratieën zonder al te veel verplichtingen vaak decadent worden. Dat geldt niet voor aristocratieën die moeten vechten voor machtsbehoud. Maar gevestigde aristocratieën die de tijd aan zichzelf hebben en zich niet hoeven in te spannen gaan zich gewoonlijk vervelen, geven zich over aan hedonisme en raken afgestompt, ook al hebben ze macht. Hieruit blijkt dat macht alleen niet voldoende is. Een mens moet ook doelen nastreven om zo zijn macht te kunnen uitoefenen. 

35. Iedereen heeft doelen; al is het alleen maar om te voorzien in de eerste levensbehoeften: eten, drinken en het soort kleding en onderdak dat het betreffende klimaat vereist. Maar de aristocraat van het goede leven hoeft zich daar niet voor in te spannen. Vandaar zijn verveling en afgestomptheid. 

36. Het niet bereiken van belangrijke doelen leidt tot de dood als het om eerste levensbehoeften gaat, en tot frustratie als het niet bereiken van die doelen verenigbaar is met overleven. Als je er je hele leven niet in slaagt om doelen te bereiken, leidt dat tot defaitisme, gebrek aan zelfrespect of depressiviteit. 

37. Om ernstige psychologische problemen te vermijden, heeft een mens dus doelen nodig die door inspanning bereikt kunnen worden, en moet hij er in redelijke mate in slagen om zijn doelen te verwezenlijken. 

surrogaat-activiteiten 

38. Niet iedere aristocraat met veel vrije tijd raakt echter verveeld of afgestompt. Keizer Hirohito, bijvoorbeeld, verzonk niet in decadent hedonisme, maar verdiepte zich in de biologie van de zee, en verwierf ook enig gezag op dat gebied. Als mensen zich niet hoeven in te spannen voor hun eerste levensbehoeften, stellen ze zich dikwijls kunstmatige doelen. In veel gevallen streven ze deze doelen na met dezelfde energie en emotionele betrokkenheid die ze anders in het vervullen van hun basisbehoeften hadden gestoken. Zo hadden de aristocraten van het Romeinse Rijk hun literaire pretenties; en veel Europese aristocraten besteedden enkele eeuwen geleden ontzettend veel tijd en energie aan de jacht, hoewel ze het vlees helemaal niet nodig hadden; andere aristocratieën streefden naar status door uitgebreid met hun rijkdom te pronken; en enkele aristocraten, zoals Hirohito, wijdden zich aan de wetenschap. 

39. We gebruiken de term 'surrogaat-activiteit' om een activiteit te omschrijven die gericht is op een kunstmatig doel dat mensen zich enkel en alleen stellen om ergens naar toe te werken, anders gezegd: enkel en alleen om de 'voldoening' die ze putten uit het nastreven van een doel. Voor de herkenning van surrogaat-activiteiten hanteren we de volgende vuistregel. Als iemand veel tijd en energie steekt in het bereiken van doel X, stel je de vraag: als hij het grootste deel van zijn tijd en energie moest steken in het bevredigen van zijn primaire behoeften, en als hij daartoe zijn lichamelijke en geestelijke vermogens op afwisselende en interessante wijze moest gebruiken, zou hij zich dan ernstig misdeeld voelen omdat hij doel X niet kon bereiken? Als het antwoord 'nee' is, dan is het streven van die persoon naar doel X een surrogaat-activiteit. Dat Hirohito zich bezighield met de biologie van de zee was duidelijk een surrogaat-activiteit: we mogen aannemen dat Hirohito, als hij zijn tijd had moeten besteden aan interessant niet-wetenschappelijk werk om in zijn primaire levensbehoeften te voorzien, het niet als een ernstig gemis had ervaren dat hij niets wist van de anatomie en de levenscycli van zeedieren. Aan de andere kant is het streven naar seks en liefde (bijvoorbeeld) geen surrogaat-activiteit, omdat de meeste mensen, zelfs al zijn ze verder tevreden met hun bestaan, zich te kort gedaan zouden voelen als hun leven voorbijging zonder dat ze ooit een relatie hadden met iemand van de andere sekse. (Maar het streven naar buitensporig veel seks, meer dan de werkelijke behoefte, kan wel een surrogaat-activiteit zijn.) 

40. In de moderne industriële samenleving kost het maar weinig moeite om in de eerste levensbehoeften te voorzien. Het volstaat om door middel van een opleiding een of andere simpele technische vaardigheid onder de knie te krijgen, vervolgens op tijd op het werk te komen en daar de zeer geringe inspanning op te brengen die nodig is om een baan te behouden. De enige vereisten zijn een bescheiden mate van intelligentie, en bovenal, gewoon GEHOORZAAMHEID. Wie daarover beschikt, wordt door de samenleving verzorgd van de wieg tot het graf. (Ja, er bestaat een onderklasse die niet verzekerd is van de eerste levensbehoeften, maar we hebben het hier over de grootste gemene deler.) Het is dan ook niet zo verwonderlijk dat je in de moderne samenleving overal surrogaat-activiteiten ziet: wetenschappelijk werk, sportprestaties, liefdadigheidswerk, kunstzinnige en literaire schepping, carrière maken, geld en goederen vergaren die al lang niets meer toevoegen aan het levensgenot, en maatschappelijk activisme gericht op zaken die geen betrekking hebben op de activist zelf, zoals bij blanke activisten die opkomen voor de rechten van niet-blanke minderheden. Dit zijn niet altijd pure surrogaat-activiteiten, omdat ze bij veel mensen deels zijn ingegeven door andere behoeftes dan de behoefte om een doel na te streven. Wetenschappelijk werk kan deels voortkomen uit een hang naar prestige; kunstzinnige schepping uit de behoefte om gevoelens te uiten; militant sociaal activisme uit agressie. Maar voor de meeste mensen die ze najagen, zijn deze activiteiten grotendeels surrogaat-activiteiten. Zo zullen de meeste wetenschappers er waarschijnlijk mee instemmen dat de 'voldoening' die hun werk hun schenkt belangrijker is dan het geld en het prestige dat het oplevert. 

41. Voor veel, misschien wel voor alle mensen zijn surrogaat-activiteiten minder bevredigend dan het nastreven van echte doelen (dat wil zeggen, doelen die mensen zelfs zouden willen bereiken als hun behoefte aan het machtsproces al was bevredigd). In de meeste gevallen blijkt dat mensen die surrogaat-activiteiten ontplooien nooit tevreden zijn, nooit rust kennen. De geldwolf blijft maar streven naar meer rijkdom. De wetenschapper heeft het ene probleem nog niet opgelost of hij begint al aan het volgende. De langeafstandloper dwingt zichzelf om steeds maar verder en verder te rennen. Veel mensen die zich bezighouden met surrogaat-activiteiten zullen zeggen dat ze daarin veel meer voldoening vinden dan in de 'banale' bevrediging van hun biologische behoeften, maar dat komt alleen maar omdat er in onze samenleving nauwelijks nog enige inspanning vereist is voor de bevrediging van biologische behoeften. En wat nog belangrijker is: in onze samenleving bevredigen mensen hun primaire behoeften niet AUTONOOM, maar door te functioneren als onderdeel van een immens maatschappelijk apparaat. Daarentegen hebben mensen over het algemeen wel een grote mate van autonomie bij het ontplooien van hun surrogaat-activiteiten. 

autonomie 

42. Autonomie hoeft niet voor ieder individu een noodzakelijk onderdeel van het machtsproces te zijn. Maar de meeste mensen hebben in meer of mindere mate behoefte aan autonomie bij het nastreven van hun doelen. Ze willen zelf het initiatief nemen, en ook het verdere verloop ervan zelf bepalen. Toch betekent dat voor de meeste mensen niet dat zij als enige de verantwoordelijkheid willen dragen voor het initiatief en het verdere verloop. Het is meestal afdoende als ze deel uitmaken van een KLEINE groep. Dus als zes mensen met elkaar een doel afspreken en er gezamenlijk in slagen om dat doel te bereiken, is aan hun behoefte aan het machtsproces voldaan. Maar als ze nauwomschreven bevelen krijgen van hogerhand, die geen ruimte bieden voor autonome besluitvorming en eigen initiatief, zal hun behoefte aan het machtsproces niet worden bevredigd. Hetzelfde geldt wanneer besluiten collectief worden genomen, als de groep die de gezamenlijke beslissing neemt zo groot is dat afzonderlijke individuen geen rol van betekenis meer spelen (5). 

43. Het is waar dat sommige individuen weinig behoefte lijken te hebben aan autonomie. Ofwel hun machtshonger is niet groot, ofwel ze stillen die door zich te identificeren met een of andere machtige organisatie waartoe ze behoren. En dan zijn er nog de onnadenkende, animale types, die tevreden lijken met een puur fysieke machtsbeleving (de goede frontsoldaat, die zijn gevoel van macht ontleent aan de aangeleerde gevechtstechnieken die hij met plezier toepast in blinde gehoorzaamheid aan zijn meerderen). 

44. Maar voor de meeste mensen is het machtsproces - een doel hebben, een AUTONOME inspanning leveren en dat doel bereiken - dé manier om eigenwaarde, zelfvertrouwen en machtsgevoel te verwerven. Als iemand onvoldoende gelegenheid heeft gehad om het hele machtsproces door te maken, zijn de gevolgen (afhankelijk van het individu en de manier waarop het machtsproces is verstoord): verveling, afstomping, gebrek aan zelfrespect, minderwaardigheidsgevoelens, defaitisme, depressiviteit, angst, schuldgevoel, frustratie, agressie, mishandeling van partner of kinderen, onverzadigbaar hedonisme, abnormaal seksueel gedrag, slaapproblemen, eetstoornissen, enzovoorts (6). 

oorzaken van maatschappelijke problemen 

45. Alle bovengenoemde symptomen kunnen in elke samenleving voorkomen, maar in de hedendaagse industriële samenleving komen ze op zeer grote schaal voor. We zijn niet de eersten die opmerken dat de wereld vandaag de dag de waanzin nabij lijkt. Dat is niet normaal voor menselijke samenlevingen. Er is reden genoeg om aan te nemen dat de primitieve mens minder last had van stress en frustratie, en tevredener was met zijn manier van leven dan de hedendaagse mens. Het was zeker niet allemaal rozegeur en maneschijn in primitieve samenlevingen. Mishandeling van vrouwen en kinderen was heel gewoon bij Australische aboriginals, transseksualiteit kwam vrij veel voor bij sommige Amerikaanse Indianenstammen. Maar OVER HET GEHEEL GENOMEN lijkt het erop dat de verschillende soorten problemen die we in de vorige paragraaf hebben opgesomd bij primitieve volkeren veel minder voorkwamen dan in de moderne samenleving. 

46. De sociale en psychische problemen van de moderne samenleving wijten we aan het volgende: deze samenleving dwingt mensen om te leven onder omstandigheden die radicaal verschillen van die waaronder de mensheid zich ontwikkelde, en om zich zodanig te gedragen dat dat ingaat tegen de gedragspatronen waaraan de mens van oudsher gewend was. Zoals we hierboven al stelden, heeft de mens onvoldoende gelegenheid om het machtsproces daadwerkelijk door te maken. Dat is in onze ogen de belangrijkste van de abnormale omstandigheden waaraan de moderne samenleving mensen onderwerpt. Maar het is niet de enige. Voordat we ons richten op verstoring van het machtsproces als oorzaak van maatschappelijke problemen, zullen we eerst enkele andere oorzaken bespreken. 

47. Onder de abnormale omstandigheden die zich in de moderne industriële samenleving voordoen, vallen onder andere: de extreem hoge bevolkingsdichtheid, de scheiding tussen mens en natuur, de enorme snelheid waarmee maatschappelijke veranderingen zich voltrekken en het ineenstorten van natuurlijke, kleinschalige gemeenschappen zoals het grootfamilieverband, het dorp of de stam. 

48. Het is algemeen bekend dat stress en agressie toenemen als mensen dichter op elkaar leven. De huidige bevolkingsdichtheid en de scheiding tussen mens en natuur zijn gevolgen van de technologische vooruitgang. In alle pre-industriële samenlevingen leefden mensen voornamelijk op het platteland. De Industriële Revolutie veroorzaakte een enorme groei van de steden en van het percentage van de totale bevolking dat er leeft, terwijl de moderne landbouwtechnologie ervoor heeft gezorgd dat de aarde veel meer mensen kan voeden dan ooit tevoren. (Daar komt nog bij dat technologie de gevolgen van een hoge bevolkingsdichtheid verergert, omdat mensen daardoor steeds meer mogelijkheden krijgen om overlast te veroorzaken. Bijvoorbeeld een scala aan luidruchtige apparaten: elektrische grasmaaiers, radio's, motoren, enzovoorts. Als het gebruik van deze voorwerpen niet aan regels is gebonden, werkt de herrie op de zenuwen van mensen die van rust en stilte houden. Wordt het gebruik wel beperkt, dan zijn de gebruikers ervan gefrustreerd... Als deze apparaten nooit waren uitgevonden, zouden ze ook geen conflicten en frustraties hebben veroorzaakt.) 

49. Voor primitieve samenlevingen vormde de natuur (die gewoonlijk slechts langzaam verandert) een stabiele context die zekerheid bood. In de moderne wereld overheerst de maatschappij eerder de natuur dan omgekeerd, en de moderne samenleving verandert als gevolg van technologische ontwikkelingen zeer snel. Het ontbreekt ons dan ook aan een stabiele context. 

50. De conservatieven zijn dwazen: ze beklagen zich over het verval van traditionele waarden, maar tegelijkertijd juichen ze de technologische vooruitgang en economische groei toe. Blijkbaar dringt het niet tot hen door dat je geen snelle, drastische wijzigingen in de technologie en economie van een samenleving kunt aanbrengen zonder dat alle andere aspecten van de samenleving ook snel veranderen; en dat leidt onvermijdelijk tot het verval van traditionele waarden. 

51. Het verval van traditionele waarden leidt tot op zekere hoogte tot het verdwijnen van de banden die traditionele, kleinschalige maatschappelijke groepen bij elkaar houden. Deze groepen vallen ook uiteen doordat de huidige omstandigheden individuen dwingen of in de verleiding brengen om naar andere plaatsen te verhuizen, en zich zo los te maken uit hun gemeenschappen. Los van dat alles geldt dat een technologische samenleving familiebanden en plaatselijke gemeenschappen zwakker MOET maken om goed te kunnen functioneren. In de moderne samenleving is een individu in de eerste plaats trouw aan het systeem en pas in de tweede plaats aan een kleinschalige gemeenschap. Als de onderlinge loyaliteit van kleinschalige groepen sterker was dan de loyaliteit aan het systeem, zouden die gemeenschappen hun eigenbelang nastreven ten koste van het systeem. 

52. Stel je voor dat een overheidsfunctionaris of een directeur van een onderneming een neef, vriend of geloofsgenoot aan een baan helpt, in plaats van de meest geschikte kandidaat aan te nemen. Met een dergelijke vriendendienst plaats hij zijn persoonlijke loyaliteit boven zijn loyaliteit aan het systeem, en dat is 'nepotisme' of 'discriminatie', twee ernstige vergrijpen in de moderne samenleving. Samenlevingen met industriële aspiraties die er niet voldoende in geslaagd zijn om de persoonlijk of plaatselijk verschuldigde loyaliteit ondergeschikt te maken aan de loyaliteit aan het systeem, zijn meestal erg inefficiënt. (Kijk maar naar Latijns-Amerika.) In een ontwikkelde industriële samenleving is dan ook alleen ruimte voor kleinschalige gemeenschappen als ze zijn ontkracht, getemd, en verworden tot radertjes in het systeem (7). 

53. Een groeiende bevolkingsdichtheid, snelle veranderingen en de afbraak van gemeenschappen zijn algemeen erkende oorzaken van maatschappelijke problemen, maar we denken niet dat ze een afdoende verklaring vormen voor de omvang die de problemen vandaag de dag hebben aangenomen. 

54. Enkele pre-industriële steden waren erg groot en dichtbevolkt, maar hun inwoners leken niet zo erg onder psychologische problemen gebukt te gaan als de moderne mens. Er zijn in Amerika nog steeds dunbevolkte landelijke gebieden te vinden, en daar treffen we dezelfde problemen aan als in stedelijke gebieden, al zijn ze meestal wel minder acuut. Bevolkingsdichtheid is dus kennelijk niet de bepalende factor. 

55. Gedurende de negentiende eeuw leidde de Amerikaanse pioniersgeest en de trek naar het Westen, waarschijnlijk niet minder dan nu, tot het uiteenvallen van familieverbanden en kleinschalige gemeenschappen. Veel kerngezinnen leefden zelfs vrijwillig zo afgelegen, mijlenver van hun buren, dat ze tot geen enkele gemeenschap behoorden. Toch leken ze daar geen moeite mee te hebben. 

56. Daarnaast veranderde de Amerikaanse samenleving in die tijd erg snel en ingrijpend. Een man die geboren en getogen was in een blokhut, zich niets hoefde aan te trekken van wet en gezag, en grotendeels leefde van de jacht, had op latere leeftijd misschien een vaste baan in een ordelijke gemeenschap met streng toezicht op naleving van de wet. Dat waren ingrijpender veranderingen dan wat iemand vandaag de dag in zijn leven meemaakt, en toch schijnt dat toen niet tot psychologische problemen te hebben geleid. Sterker nog, in de negentiende eeuw blaakte de Amerikaanse samenleving van optimisme en zelfvertrouwen, wat van de huidige samenleving niet gezegd kan worden (8). 

57. Het verschil is volgens ons dat de moderne mens het gevoel heeft (grotendeels terecht) dat veranderingen hem worden OPGEDRONGEN, terwijl de negentiende-eeuwse pionier het gevoel had (ook grotendeels terecht) dat hij de veranderingen zelf teweegbracht, uit vrije wil. Een pionier vestigde zich op een stuk land naar eigen keuze, en maakte er eigenhandig een boerenbedrijf van. In die tijd had een hele provincie soms maar een paar honderd inwoners. Een provincie vormde een veel geïsoleerder en autonomer geheel dan tegenwoordig. De pionierende boer nam dus als lid van een betrekkelijk kleine groep deel aan de opbouw van een nieuwe, ordelijke gemeenschap. Het is de vraag of de vestiging van een dergelijke gemeenschap wel een verbetering was, maar in ieder geval bevredigde het de behoefte aan het machtsproces van de pionier. 

58. We kunnen nog andere voorbeelden noemen van samenlevingen waarin zich snelle veranderingen hebben voltrokken en/of waarin geen nauwe gemeenschapsbanden bestonden, zonder dat dat leidde tot de massale gedragsstoornissen die de huidige industriële samenleving vertoont. Wij menen dat de sociale en psychische problemen in de moderne samenleving vooral veroorzaakt worden door het feit dat mensen onvoldoende de gelegenheid hebben om het machtsproces op een normale manier te beleven. We zeggen niet dat de huidige samenleving de enige is waarin het machtsproces is verstoord. Waarschijnlijk hebben de meeste, zo niet alle ontwikkelde samenlevingen in meer of mindere mate belemmeringen opgeworpen voor het machtsproces. Maar in de moderne industriële samenleving is het probleem wel heel acuut geworden. Het linksisme is er, in ieder geval in zijn meest recente (midden-tot-laat-twintigste-eeuwse) vorm, ten dele een symptoom van dat er iets goed mis is met het machtsproces. 

ontwrichting van het machtsproces in de moderne samenleving 

59. We delen de menselijke driften in drie groepen in: (1) de driften die bevredigd kunnen worden met minimale inspanning; (2) de driften die wel bevredigd kunnen worden, maar alleen met veel moeite; (3) driften die niet adequaat bevredigd kunnen worden, hoeveel moeite men er ook voor doet. Het machtsproces is het proces van bevrediging van de driften uit de tweede groep. Hoe meer driften er in de derde groep voorkomen, hoe groter de frustratie, woede, en uiteindelijk defaitisme, depressiviteit, etcetera. 

60. In de moderne industriële samenleving worden de natuurlijke menselijke driften meestal naar de eerste en derde categorie gedrongen, terwijl de tweede groep in toenemende mate bestaat uit kunstmatig opgewekte driften. 

61. In primitieve samenlevingen vallen de eerste levensbehoeften in het algemeen in groep 2: ze kunnen wordenbevredigd, maar dat kost wel veel moeite. Maar de moderne samenleving stelt zich min of meer garant voor ieders eerste levensbehoeften (9) en eist daar slechts een minimale inspanning voor terug, zodat de primaire behoeften in groep 1 belanden. (Misschien vindt niet iedereen dat de inspanning die je moet leveren om een baan te behouden 'minimaal' is; maar bij banen van lager en middelbaar niveau is gehoorzamen gewoonlijk de enige inspanning die gevraagd wordt. Je gaat zitten of staan waar ze zeggen dat je moet gaan zitten of staan, en je doet wat je moet doen op de manier waarop ze zeggen dat je het moet doen. Het komt maar zelden voor dat je je moet laten gelden, en in ieder geval is er nauwelijks sprake van autonomie in je werk, zodat je behoefte aan het machtsproces niet echt bevredigd wordt.) 

62. Sociale behoeften, zoals seks, liefde en status, vallen ook in de moderne samenleving meestal in groep 2, afhankelijk van de situatie van het individu (10). Tenzij mensen een buitengewoon sterke hang naar aanzien hebben, is de inspanning die ze zich moeten getroosten om de sociale behoeften te bevredigen niet groot genoeg om in afdoende mate aan de behoefte aan het machtsproces te voldoen. 

63. Er zijn dus bepaalde kunstmatige behoeften geschapen die in groep 2 vallen, en daardoor voorzien in de behoefte aan het machtsproces. Door middel van reclame- en marketingtechnieken wordt bij mensen de behoefte gekweekt aan zaken waar hun grootouders nooit naar verlangd of zelfs maar van gedroomd hebben. Je moet er heel wat voor doen om zo veel geld te verdienen dat je deze behoeften kunt bevredigen, ze vallen dan ook in categorie 2. (Zie echter paragraaf 80-82). De moderne mens moet zijn behoefte aan het machtsproces vooral bevredigen door het najagen van de kunstmatige behoeften die door reclame en marketing zijn gecreëerd (11), en door surrogaat-activiteiten. 

64. Het ziet ernaar uit dat veel mensen, misschien wel de meeste, niet genoeg hebben aan deze kunstmatige vormen van het machtsproces. Een regelmatig terugkerend thema in de geschriften van maatschappij-critici uit de tweede helft van de twintigste eeuw is het gevoel van doelloosheid dat veel mensen in de moderne samenleving kwelt. (Voor deze doelloosheid worden ook vaak andere termen gebruikt, zoals 'anomie' en 'leegheid van het bestaan'.) Het lijkt ons dat de term 'identiteitscrisis' in feite staat voor 'op zoek zijn naar zingeving', vaak naar een mogelijkheid om zich te wijden aan een passende surrogaat-activiteit. Misschien is het existentialisme wel voor een groot deel een reactie op de doelloosheid van het moderne leven (12). Zeer wijdverbreid in de moderne samenleving is het zoeken naar 'voldoening'. We denken echter dat voor de meerderheid der mensen een activiteit waarbij voldoening het voornaamste doel is (dat wil zeggen, een surrogaat-activiteit) niet daadwerkelijk voldoening biedt. Met andere woorden, zo'n activiteit voorziet niet geheel in de behoefte aan het machtsproces. (Zie paragraaf 41.) Die behoefte kan alleen volledig worden bevredigd door activiteiten met een extern doel, zoals eerste levensbehoeften, seks, liefde, status, wraak, enzovoort. 

65. Bovendien, als doelen worden nagestreefd door het verdienen van geld, het beklimmen van de status-ladder of het anderszins functioneren als onderdeel van het systeem, zijn de meeste mensen niet in de gelegenheid om hun doelen AUTONOOM na te streven. De meeste mensen die werken doen dat voor een ander. In paragraaf 61 wezen we er al op dat ze hun dagen slijten met doen wat ze wordt opgedragen op de manier waarop het ze wordt opgedragen. Zelfs de meeste mensen met een eigen zaak hebben maar een beperkte autonomie. Kleine ondernemers klagen altijd dat ze aan handen en voeten gebonden zijn door het woud van regels dat de overheid heeft ingesteld. Sommige van deze regels zijn ongetwijfeld overbodig, maar de meeste overheidsregels zijn essentiele en onmisbare onderdelen van onze buitengewoon ingewikkelde maatschappij. Een groot deel van de kleine bedrijven opereert tegenwoordig op basis van licenties. Een paar jaar geleden schreef de Wall Street Journal dat veel licentieverlenende ondernemingen eisen dat licentie-aanvragers een persoonlijkheidstest doen die erop gericht is om creatieve en initiatiefrijke mensen UIT TE SLUITEN, omdat zulke mensen niet meegaand genoeg zijn om zich braaf aan het licentiesysteem te houden. Daardoor kunnen veel mensen die juist een grote behoefte aan autonomie hebben geen kleine ondernemer worden. 

66. Vandaag de dag wordt het leven van mensen meer bepaald door wat het systeem VOOR hen doet of hen AANdoet, dan door wat ze voor zichzelf doen. En als ze iets voor zichzelf doen, maken ze daarbij steeds vaker gebruik van de kanalen die door het systeem zijn gecreëerd. De geboden kansen zijn meestal de kansen die het systeem biedt, kansen die moeten worden benut overeenkomstig de geldende regels (13), en die alleen kans van slagen hebben bij gebruik van door deskundigen voorgeschreven technieken. 

67. En zo wordt het machtsproces in onze samenleving verstoord door een gebrek aan echte doelen, en een gebrek aan autonomie bij het nastreven van doelen. Maar wat ook verstorend werkt zijn de menselijke driften uit groep 3: de driften die je niet kunt bevredigen, hoeveel moeite je ook doet. Een van deze driften is de behoefte aan zekerheid. Ons leven is afhankelijk van beslissingen die andere mensen nemen; we hebben geen invloed op deze beslissingen en gewoonlijk kennen we de mensen die ze nemen niet eens. ('We leven in een wereld waarin betrekkelijk weinig mensen - misschien 500 tot 1000 - de belangrijke beslissingen nemen' - Philip B. Heymann van Harvard Law School, geciteerd door Anthony Lewis, New York Times, 21 april 1995.) Ons voortbestaan is afhankelijk van de vraag of de veiligheidsnormen in een kerncentrale afdoende worden nageleefd; hoeveel bestrijdingsmiddel er in ons voedsel mag zitten, of hoeveel vervuiling in de lucht; hoe bekwaam (of incompetent) onze dokter is; of we een baan krijgen of kwijtraken hangt af van beslissingen die worden genomen door economen in overheidsdienst of de directies van ondernemingen; en ga zo maar door. De meeste individuen kunnen zich maar in zeer beperkte mate beschermen tegen deze gevaren. Het streven naar zekerheid wordt daardoor gedwarsboomd, met als gevolg een gevoel van machteloosheid. 

68. Men zou daar tegen kunnen inbrengen dat de primitieve mens fysiek gezien minder zekerheid heeft dan de moderne mens, zoals blijkt uit zijn lagere levensverwachting; en dat de moderne mens dus lijdt aan een lagere en niet aan een hogere mate van onzekerheid dan voor mensen normaal is. Maar een innerlijke zekerheid heeft niet zoveel te maken met verzekerd zijn van lijfsbehoud. Ons GEVOEL van zekerheid komt niet zozeer voort uit objectieve factoren als wel uit een bepaald vertrouwen dat we in staat zijn om voor onszelf te zorgen. Als de primitieve mens wordt bedreigd door een roofdier kan hij vechten voor zijn leven; dreigt hij te verhongeren, dan kan hij in andere streken op zoek gaan naar voedsel. Het is niet zeker of hij in zijn pogingen slaagt, maar hij is in geen geval weerloos overgeleverd aan de gevaren die hem bedreigen. Het moderne individu staat daarentegen machteloos tegenover veel zaken die hem bedreigen: ongelukken met kernenergie, kankerverwekkende stoffen in voedsel, milieuvervuiling, oorlog, hogere belastingen, schending van zijn privacy door grote organisaties, maatschappelijke of economische verschijnselen op landelijk niveau die zijn manier van leven kunnen ontwrichten. 

69. Het is waar dat de primitieve mens machteloos staat tegenover een aantal gevaren die hem bedreigen; ziekte, bijvoorbeeld. Maar hij kan het risico van ziekte gelaten aanvaarden. Het hoort bij het leven, het is niemands schuld, behalve wanneer er een denkbeeldige, onpersoonlijke kwade geest in het spel is. Maar de gevaren die het moderne individu bedreigen zijn DOOR DE MENS GECREËERD. Ze hebben niets met toeval van doen, maar zijn hem OPGEDRONGEN door andere personen, op wiens beslissingen hij, als individu, geen invloed heeft. Als gevolg daarvan voelt hij zich gefrustreerd, vernederd en kwaad. 

70. De primitieve mens heeft zijn lot dus grotendeels in eigen hand (als individu of als lid van een KLEINE groep), terwijl het lot van de moderne mens in handen is van personen of organisaties die te ver van hem af staan of te groot zijn om er persoonlijk invloed op te kunnen uitoefenen. Het streven naar zekerheid van de moderne mens valt daarom gewoonlijk in groep 1 en 3; op sommige gebieden (voedsel, onderdak, etcetera) hoeft hij zich nauwelijks in te spannen voor zijn zekerheid, terwijl hij op andere gebieden ONMOGELIJK zekerheid kan vinden. (Deze verregaande versimpeling van de werkelijke situatie geeft grofweg en in algemene termen aan hoezeer de toestand van de moderne mens verschilt van die van de primitieve mens.) 

71. Mensen hebben veel driften of impulsen van voorbijgaande aard die in het moderne bestaan noodzakelijkerwijs gefrustreerd worden, en daarom in groep 3 vallen. Iemand kan boos worden, maar vechten is niet toegestaan in de moderne samenleving. In veel gevallen gaat zelfs verbale agressie al te ver. Als je ergens heen gaat kun je erge haast hebben of juist in de stemming zijn om langzaam te reizen, maar meestal is er geen andere mogelijkheid dan met de verkeersstroom mee te gaan en je aan de verkeersregels te houden. Je zou je werk misschien anders willen aanpakken, maar gewoonlijk moet je je houden aan de regels van je werkgever. Ook op allerlei andere manieren is de moderne mens gebonden aan een netwerk van (geschreven of ongeschreven) regels en voorschriften, die veel van zijn impulsen frustreren en zo met het machtsproces botsen. De meeste van deze voorschriften kunnen niet worden afgeschaft, omdat ze noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de industriële samenleving. 

72. De moderne samenleving is in bepaalde opzichten extreem tolerant. Als het gaat om zaken die irrelevant zijn voor het functioneren van het systeem, dan kunnen we normaal gesproken doen wat we willen. We mogen om het even welk geloof aanhangen (zolang het ons niet aanmoedigt tot gedrag dat het systeem in gevaar brengt). We mogen naar bed gaan met wie we maar willen (zolang we maar 'veilig vrijen'). We mogen alles doen wat we willen zolang het maar ONBELANGRIJK is. Maar met betrekking tot alle BELANGRIJKE zaken onderwerpt het systeem ons gedrag in toenemende mate aan regels. 

73. Gedrag wordt niet alleen gestuurd door expliciete voorschriften en niet alleen door de overheid. Er is vaak sprake van indirecte dwang of van psychologische druk of manipulatie, uitgeoefend door andere organisaties dan de overheid of door het systeem als geheel. De meeste grote organisaties gebruiken een of andere vorm van propaganda (14) om de opvattingen en het gedrag van het publiek te manipuleren. Propaganda blijft niet beperkt tot reclamespots en advertenties, en soms zijn de mensen die propaganda maken zich daar niet eens bewust van. Met de inhoud van amusementsprogramma's kan bijvoorbeeld heel goed propaganda worden bedreven. Een voorbeeld van indirecte dwang: er bestaat geen wet die bepaalt dat we iedere dag naar ons werk moeten gaan en moeten doen wat onze werkgever zegt. Juridisch gezien is er niets dat ons belet om in de wildernis te gaan leven als primitieve mensen, of om een eigen bedrijf te beginnen. Maar in de praktijk is er nog maar weinig ongerepte natuur over, en biedt de economie slechts ruimte aan een beperkt aantal kleine ondernemers. Vandaar dat de meesten van ons alleen kunnen overleven als werknemer van een ander. 

74. De obsessie van de moderne mens om oud te worden en tot op hoge leeftijd fit en seksueel aantrekkelijk te blijven is volgens ons een symptoom van een gebrek aan voldoening, dat zijn oorzaak heeft in een verstoord machtsproces. De midlife crisis is ook zo'n symptoom. Hetzelfde geldt voor de geringe belangstelling voor het ouderschap. Dat mensen kinderloos blijven is in de moderne samenleving vrij normaal, maar komt in primitieve samenlevingen nauwelijks voor. 

75. In primitieve samenlevingen bestaat het leven uit een opeenvolging van fasen. Als de behoeften en doelen van de ene fase zijn vervuld, gaat men zonder tegenzin over naar de volgende fase. Een jongeman ondergaat het machtsproces door jager te worden, waarbij hij jagen niet ziet als sport of als iets wat 'voldoening' schenkt, maar als middel om aan vlees te komen dat nodig is als voedsel. (Bij jonge vrouwen is het proces ingewikkelder, met meer nadruk op sociale macht; we gaan daar nu niet nader op in.) Wanneer deze fase met succes is doorlopen, heeft de jongeman er niets op tegen om zich te gaan wijden aan de verantwoordelijkheden van het gezinsleven en de opvoeding. (Veel moderne mensen daarentegen stellen het krijgen van kinderen voor onbepaalde tijd uit, omdat ze het te druk hebben met het zoeken naar een vorm van 'voldoening'. Wij denken dat ze pas echt voldoening vinden als ze afdoende ervaring hebben opgedaan met het machtsproces - met echte doelen in plaats van de kunstmatige doelen van surrogaat-activiteiten.) Als de primitieve mens zijn kinderen heeft grootgebracht, en het machtsproces heeft doorlopen door in hun eerste levensbehoeften te voorzien, voelt hij wederom dat zijn taak erop zit, en kan hij zich verzoenen met de ouderdom (als hij zolang blijft leven) en de dood. Veel moderne mensen weten zich daarentegen geen raad met het vooruitzicht van de dood; dat blijkt wel uit de moeite die ze doen om fit en gezond te blijven en er goed uit te blijven zien. Naar onze mening komt dat door een gebrek aan voldoening, voortkomend uit het feit dat ze nooit hun lichaamskracht hebben gebruikt, dat ze nooit het machtsproces hebben doorgemaakt door middel van echte lichamelijke inspanning. Niet de primitieve mens, die zijn lichaam dagelijks gebruikt heeft voor praktische doeleinden, is bang voor de aftakeling van het ouder worden, maar de moderne mens, die nooit enig praktisch nut van zijn lichaam heeft gehad dat verder ging dan van zijn auto naar zijn huis lopen. De mens wiens behoefte aan het machtsproces tijdens zijn leven is bevredigd, is het best voorbereid op het einde van dat leven. 

76. Het in dit hoofdstuk gevolgde betoog zou bij bepaalde mensen de volgende reactie kunnen oproepen: 'De samenleving moet een manier vinden om mensen de kans te geven om het machtsproces door te maken.' Wat zulke mensen niet beseffen, is dat zo'n kans juist teniet gedaan wordt als de samenleving deze aan hen geeft. Ze moeten juist hun eigen kansen vinden of scheppen. Zolang het systeem deze kansen aan hen GEEFT, lopen ze nog steeds aan de leiband. Om autonomie te verwerven, moeten ze zich ontdoen van deze leiband.